Tien redenen waarom inflatie achterop hinkt

Net zoals de andere monetaire instellingen is de Europese centrale bank (ECB) sinds 2015 bezig met een grote operatie van geldcreatie, die intussen de kaap van 2.100 miljard euro heeft overschreden. Dat geld creëert de centrale bank uit het niets.

Lees meer

Artikel printen

Bruno Colmant

Head of Macroeconomic Research and Economic Advisor

Waarom die onconventionele maatregel? Om de euro te verzwakken, om de staatsschuld vlotter te herfinancieren, om de vraag aan te zwengelen en de toekenning van kredieten te stimuleren, en natuurlijk ook om inflatie op te wekken. Want als de vraag toeneemt, dan nemen ook de groei en de inflatie toe, en vice versa. Inflatie bevordert bovendien de toewijzing van beschikbare middelen en geeft het monetaire beleid ook nog eens meer slagkracht. Tegen alle verwachtingen in brengt de geldcreatie de ECB nauwelijks dichter bij haar inflatiedoel van 2%. Het is zelfs mogelijk dat de centrale bank die symbolische drempel van 2% zal moeten opgeven.

Monetaire theorieën

Bij de waardering van activa (beurswaarden, immobiliën, enz.) speelt inflatie een rol, maar die vertaalt zich niet in de consumptie. Momenteel stellen we zelfs een licht herstel van de economische activiteit zonder inflatie vast! De economen (inclusief ikzelf) zijn verbijsterd omdat de realiteit haaks staat op de monetaire theorieën. Komt dat omdat die theorieën tot stand kwamen in tijden van demografische groei, terwijl de huidige context helemaal anders is? Of hebben we, net zoals op het einde van de negentiende eeuw, te maken met een technologische deflatie? Kloppen de theorieën niet meer door de mondialisering? Misschien. Hoe dan ook kunnen de twee belangrijkste theorieën, het Keynesianisme en het monetarisme, dit niet verklaren. Volgens de leer van Keynes is geld een goed. De waarde ervan
varieert omgekeerd evenredig met de hoeveelheid ervan. De monetaristen stellen dat een verandering van de geldvoorraad leidt tot een schommeling van de prijzen, al is enige vertraging wel mogelijk. Als die theorieën inderdaad onvolledig zijn, welk fenomeen verklaart dan zo’n laag inflatieniveau (dat vóór de twintigste eeuw overigens de norm was)? Ik reik hierna enkele elementen aan die naar mijn gevoel een rol spelen. Maar wat hun relatieve belang is, is niet meteen duidelijk.

1. Het inflatieniveau mag niet over een korte periode worden beschouwd; het moet altijd vanuit een langetermijnperspectief worden bekeken. Het beroerde tijdperk van de jaren zeventig maakte een einde aan het naoorlogse monetaire systeem (akkoorden van Bretton Woods van 1944 tot 1971). Daarna volgden twee olieschokken en de brutale overgang van een industriële economie naar een diensteneconomie, met de instorting van het systeem als gevolg. Destijds probeerden de westerse overheden om de economie aan te zwengelen via een beleid van overheidstekorten. Daardoor steeg de staatschuld, ontstond een catastrofale inflatie en volgde een aaneenschakeling van devaluaties. Aan het begin van de jaren tachtig spanden de centrale banken zich gezamenlijk in om de inflatie te verminderen. Daarna volgde een periode van “grote matiging” die, na de recessie van 2009, leidde tot een erg lage, en wellicht veel te lage, inflatie. De koopkracht van het kapitaal moest namelijk worden beschermd.

2. De context van de vergrijzende bevolking is bepalend voor alle economische scenario’s. Tijdens de jaren net na de oorlog, en meer bepaald de periode tussen 1945 en 1963, zorgden de “babyboomers” voor een sterke bevolkingstoename. De hoge geboortecijfers die er toen waren, vertalen zich nu in een piekende vergrijzing. Rekening houdend met een pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar en met de toegenomen levensverwachting, zullen de effecten daarvan voelbaar zijn van 2010 tot 2048. Een oudere bevolking consumeert en investeert nu eenmaal minder. Ouderen hebben zelfs de neiging om nog meer te sparen, wat nefast is voor de consumptie. Dat is ook begrijpelijk: vanaf een bepaalde leeftijd is het niet eenvoudig om nog een appeltje voor de dorst opzij te leggen. Bovendien ondermijnen technologische omwentelingen de werkzekerheid van oudere werknemers. Een eenvoudig rekensommetje toont aan dat de uitbetaling van de pensioenen, waarvoor de overheid heeft verzuimd reserves aan te leggen, op termijn niet houdbaar zal zijn. Het gebrek aan vertrouwen in de staat is een deflatoir gegeven dat zich vertaalt in een voorzichtigere houding. Vandaar de neiging om meer te sparen.

3. Onze economieën ondergaan een gigantische technologische omwenteling. Na de democratisering van het internet en de opmars van de digitalisering zal kunstmatige intelligentie almaar meer bijdragen tot het creëren van rijkdom. Die omwenteling is echter nefast voor de tewerkstelling en maakt de mensen wantrouwig. Als gevolg daarvan gaat men meer sparen (wat ten koste van de consumptie gaat), terwijl de vergoeding voor arbeid daalt. Die vaststelling vraagt om een woordje uitleg. Als een werknemer voordien 100 eenheden geld kreeg voor zijn arbeidsprestatie, dan kon hij zeggen dat hij werd vergoed voor zijn ijver of voor zijn intellectuele capaciteiten. Maar sinds de komst van machines en andere technologische hulpmiddelen neemt de “biologische” inbreng van de mens in die 100 eenheden geld af. Relatief gezien daalt dus de vergoeding voor arbeid. Dat verklaart deels waarom de volledige tewerkstelling in de Verenigde Staten niet leidt tot een stijging van de lonen, die sommige economen, onder wie William Phillips (1914-1975), toch vooropstellen. De deflatoire invloed van de inzet van machines wordt daarentegen perfect verklaard door Karl Marx (1818-1883). De technologische revolutie holt de inflatie verder uit.

4. Sommige economen stellen dat de wereldeconomie in een toestand van seculaire stagnatie is terechtgekomen. Dat is een lange periode van beperkte economische groei. De beperkte demografische groei en de buitensporige besparingen op investeringen vormen de voedingsbodem ervan. De globalisering heeft de poort geopend naar lageloonlanden (China, India, enz.), wat de inflatie heeft gematigd.

5. De conjunctuurschok van 2008 heeft diepe wonden geslagen.Het spaargeld bij de banken werd kwetsbaar, terwijl tal van economieën in de periode 2009-2011 in een spiraal van recessie en deflatie terechtkwamen. De minder gunstige arbeidsomstandigheden (atypische arbeid, fenomenen zoals Uber, toegenomen behoefte aan flexibele arbeid) leiden tot een afvlakking van de looneisen in een ontwrichte arbeidsmarkt. Die evolutie heeft een negatieve impact op de inflatie, die op haar beurt wordt gefnuikt door de loonconcurrentie in de eurozone. In een dergelijke situatie primeert de werkzekerheid op loonsverhogingen.

“Het gebrek aan vertrouwen in de staat is een deflatoir gegeven dat zich vertaalt in een voorzichtigere houding. Vandaar de neiging om meer te sparen.”

6. De toenemende sociale ongelijkheid, in de hand gewerkt door tien jaar crisis. De homogeniteit van de naoorlogse middenklasse zorgde namelijk voor een collectief vertrouwen dat dankzij de vangnetten van de welvaartsstaat stevig was verankerd. Maar die vangnetten zijn onbetaalbaar geworden. De angst om uit de sociale boot te vallen, leidt tot voorzichtig spaargedrag. En zo komen de consumptie en de investeringen onder deflatoire druk.

7. De staatsschuld verstikt de groei en dus ook de inflatiee. Dat is een stelling van de econoom Ricardo (1772-1823) die meende dat individuen meer geneigd zijn om te sparen, wat ten koste gaat van de consumptie, en dus de inflatie, zodra ze beseffen dat ze de staatsschuld moeten afbetalen via hun belastingen.

8. Binnen de eurozone heeft het crisisbeheer de tendens naar deflatie nog doen verergeren.
De invloed van Duitsland heeft ertoe geleid dat, tegen alle logica in, zowel het monetair als het begrotingsbeleid strak in het gareel werden gehouden. De euro bood kapitaalbescherming ten koste van de tewerkstelling. Het is bijgevolg een munt die deflatie en recessie in zijn genen heeft, aangezien hij zijn koopkracht behoudt ten koste van de werkgelegenheid. Het antwoord op de staatsschuldencrisis van 2009-2011 was trouwens veelzeggend: de Europese Commissie legde strikte besparingsmaatregelen op aan de noodlijdende economieën, waardoor de jongere generatie werknemers in de werkloosheid terechtkwam. De geldcreatie van de ECB deed bovendien de balansen van de banken aanzwellen, maar al dat geld stroomt momenteel nog niet snel genoeg door naar de reële economie in de vorm van kredieten. De economie zit in het slop doordat de vraag achterophinkt: de consumptie en de investeringen zijn onvoldoende om de vraag naar kredieten aan te zwengelen, terwijl de objectieve omstandigheden nochtans gunstig zijn.

9. In sommige economische sectoren worden de schulden afgebouwd, waardoor de economische activiteit krimpt. Dat gaat gepaard met een liquiditeitsval die het monetair beleid aanzienlijk beknot.

10. Ten slotte spelen ongetwijfeld nog andere elementen een rol in de deflatie van de economie. Zo is de handel uitgegroeid tot een soort van wereldwijd veilinghuis. Onder invloed van grote handelsplatformen zoals Amazon zijn de prijzen heel transparant geworden, wat de inflatie drukt.

Seculaire stagnatie

Kortom, de inflatie blijft laag en de werkloosheid hoog in een klimaat dat onder impuls van de vergrijzing en de digitale omwenteling deflatoir blijft. Ondanks de achterophinkende vraag en de ontwrichte arbeidsmarkt, heeft het Europees monetair en begrotingsbeleid die deflatoire tendens nog versterkt. De kans bestaat dat de inflatie laag zal blijven door het klimaat van seculaire stagnatie, waarin sommigen een Japans scenario zien. Pas nadat de generatieschok veroorzaakt door de piekende vergrijzing achter de rug is, en er weer vertrouwen in de toekomst is, kan opnieuw met groei en inflatie worden aangeknoopt. Maar dat zal niet volstaan: massale openbare en private investeringsprogramma’s voor de energie- en communicatiesector zullen noodzakelijk zijn. Maar ook voor maatschappelijke uitdagingen zoals het klimaat en de migratie. We kijken aan tegen een politiek gegeven: als er niet meer aandacht wordt geschonken aan arbeid, dan dreigen onze economieën als gevolg van hun eigen tekortkomingen het loodje te leggen door de deflatie van het kapitaal. Er moet dus een politiek debat worden gevoerd.

Video
E-card

Your name

Your e-mail address

Name receiver

E-mail address receiver

Your message

Send

1